27 mei 2026
Esther heeft een moment voor haarzelf nodig en boekt een weekendje weg in Drenthe. In het hotel logeert één andere gast, Rens met wie ze verdacht veel overeenkomsten lijkt te hebben. Lijkt, want hun ontmoeting blijkt geen toeval te zijn.
Heb je het eerste deel van het verhaal al gelezen? Ga dan door naar het vervolg
Ik rijd de stad uit zonder om te kijken. Dat had ik me voorgenomen. Niet in de spiegel kijken, niet nog één verzoenend gebaar. Dit weekend is van mij. Geen compromissen, geen gedoe. Ik zie het ontbijtbuffet al voor me: houten planken, dikke plakken brood, zelfgemaakte jam. Mijn telefoon trilt: een bericht van Rob. Ik kan al raden wat erin staat: dat ik weer overdrijf. Dat ik altijd wegga als het ingewikkeld wordt. Ik glimlach flauwtjes. Klopt. Ik ga weg als het moeilijk wordt. Dat weet ik van mezelf. Dieren doen dat ook. Ze vechten, vluchten of bevriezen. Ik ben een vluchter. En een vechter. Alleen vecht ik op een manier die je niet meteen ziet. Ik haal iemand onderuit, met nette zinnen, en noem het een column.
De radio kletst door over een volkszanger die zijn vrouw heeft ingeruild voor iemand die verdacht veel op haar lijkt. Iemand lacht om iets wat niet grappig is. Alsof we collectief hebben besloten het echte nieuws maar even over te slaan. Ik snap het wel. Wegkijken werkt vaak beter. Zodra ik Drenthe inrijd verandert het tempo. Boerderijen duiken op tussen het groen. Rieten daken, paarden in weilanden. ‘Het lijkt wel alsof iedereen hier een paard heeft,’ mompel ik in mezelf. Het hotel ligt verscholen tussen het groen. Precies zoals op de foto’s, misschien nog mooier.
Ik zet de motor af en pak mijn telefoon. Eén gemiste oproep en een bericht van Rob:
Kun je me even bellen? Verleidelijk. Maar nee, dank je. Binnen word ik ontvangen door een vrouw met een rustige glimlach. ‘U bent hier voor het weekend?’ ‘Ja,’ zeg ik. ‘Ik had hier echt even zin in.’ Uit het restaurant klinkt zachte jazz. Ik herken het meteen: Kind of Blue, Miles Davis. Ik glimlach, dat gebeurt me niet vaak. ‘Het is rustig vanavond,’ zegt de vrouw. ‘Er is nog één andere gast.’ Eén andere gast. Ik knik, maar ik merk dat ik er toch even over nadenk. Wie dat is. Of ik hem of haar ga zien. ‘Je kamer is boven,’ zegt de vrouw. ‘Eerste deur links.’ Het bed ziet er te netjes uit om meteen op te gaan liggen, maar ik doe het toch. Ik sluit mijn ogen, even.
Ik moet geslapen hebben, want als ik wakker word, schemert het. Beneden hoor ik stemmen, muziek. Avond. Ik stap onder de douche en laat de middag van me afspoelen. Misschien ook wel de afgelopen weken. Ik rits mijn tas open en schuif mijn hand erdoorheen, langs mijn laptop, tot ik de stof voel waar ik naar zocht. De jurk. Ik weet nog dat ik hem aantrok en een vrouw in de spiegel zag die ik ergens onderweg was kwijtgeraakt. Ik haal mijn hand door mijn haar, doe lippenstift op. Vanavond ga ik op date met mezelf.
Beneden is het licht gedimd. De jazz heeft plaatsgemaakt voor iets klassieks. Er zitten mensen aan tafels. Aan de bar zit een man. Ik schat hem begin veertig. Geen opvallende verschijning, maar er is iets zelfverzekerds aan de manier waarop hij daar zit. Hij kijkt op als ik binnenkom, en knikt. Ik ga een paar krukken verderop zitten en pak de menukaart. “Ik vraag me altijd af waarom mensen bij elkaar blijven als ze elkaar niets meer te zeggen hebben.” Ik kijk verbaasd naar de man naast me. Hij knikt licht met zijn kin naar links. Ik volg zijn blik. Aan een tafeltje bij het raam zit een stel. Twee glazen wijn, halfvol. Ze zitten tegenover elkaar, maar kijken allebei ergens langsheen. De man tikt ongeduldig met zijn vingers op tafel. De vrouw staart ontevreden voor zich uit. ‘Ik zit hier nu een uur,’ zegt hij, ‘en ze hebben nog geen woord gewisseld.’
Ik kijk hem geamuseerd aan. ‘Misschien hebben ze alles al gezegd en zijn ze nu gewoon… uitgepraat.’
‘Dat is wel efficiënt,’ zegt hij. Ik bekijk hem nu wat beter, zijn blik komt me vaag bekend voor, maar ik kan het niet plaatsen. ‘Of ze durven niet weg,’ voegt hij toe, ‘omdat ze bang zijn dat het dan nog stiller wordt.’ Ik laat mijn blik even op het stel rusten. ‘Ik voel me zelden eenzaam als ik alleen ben,’ zeg ik. ‘Ik heb dat alleen in gezelschap waar niets gebeurt.’ Hij knikt. ‘Oh ja, dat is eenzaamheid van de ergste soort: samenzijn zonder elkaar echt te voelen.’ Er trekt iets door me heen. Zo zou ik het ook zeggen. Precies zo.
‘Wat denk je, zouden ze het nog doen?’ flap ik eruit. Er verschijnt een lach op zijn gezicht. ‘Ik mag hopen van wel, maar vanavond niet.’ Ik schiet in de lach, de eerste echte lach sinds lange tijd.
‘Rens,’ zegt hij, terwijl hij zijn hand uitsteekt. ‘Esther.’ Zijn hand is warm. Hij houdt hem een fractie langer vast dan nodig. De muziek verandert. ‘Schubert Opus 100,’ zegt hij. Ik kijk hem verbaasd aan. ‘Ken je de film Barry Lyndon?’
‘Ja,’ stamel ik. ‘De scene met dit nummer, zó prachtig. Het is misschien wel de meest romantische filmscene die ik ken. En wat waren de mensen in die tijd goed gekleed.’ Hij kijkt me goedkeurend aan. De barman komt dichterbij. ‘Mag ik iets voor jullie inschenken?’ Rens kijkt me aan. ‘Mag ik kiezen?’ Ik glimlach. ‘Ik laat me graag verrassen.’ Hij fluistert iets Frans tegen de barman. Even later staat er een glas voor me. De wijn is zacht, fruitig, met wat hout. Ik voel dat hij naar me kijkt, naar mijn gezicht, alsof dat het enige is dat hem interesseert. ‘Als jij een wijn was, zou ik je niet meteen begrijpen,’ zegt hij. Ik lach. ‘Ik ben ook een zeer complex persoon.’ Hij knikt alsof hij dat opslaat. ‘Of iemand voor wie je de tijd moet nemen,’ zegt hij dan. ‘Wat doe je in het dagelijks leven?’ vraagt hij. ‘Ik schrijf.’
‘Waarover?’
‘Over mensen, over de liefde. Over relaties die vaak allang voorbij zijn voordat ze eindigen.’
‘En waar haal je je inspiratie vandaan?’
‘Uit verhalen die ik om me heen hoor. Mijn laatste column ging over de scheiding van een vriendin. Ze was niet zo blij toen ze zichzelf teruglas in mijn stuk.’ Ik haal mijn schouders op. ‘Ze weet toch dat ik schrijver ben.’
Hij lacht. ‘Een scheiding is vaak het eerlijkste moment in een slechte relatie. Daarvóór doen mensen alsof alles nog klopt, terwijl ze allang weten dat het niet meer klopt.’ Er trekt een siddering langs mijn ruggengraat. Dit heb ik zo opgeschreven in mijn column. Ik kijk hem nu wat langer aan, probeer zijn ogen te lezen. ‘En jij?’ vraagt hij. ‘Iemand thuis?’ Ik kijk naar mijn glas. ‘Technisch gezien wel.’ Hij knikt, alsof hij dat al had verwacht.
‘Vertel eens, Rens,’ zeg ik. ‘Wat doet een man die houdt van Schubert en goede wijn, in zijn eentje op een donderdagavond in een hotel in Drenthe?’ Hij leunt iets naar achteren. ‘Werk,’ zegt hij. ‘Een paar afspraken hier in de buurt. Morgen ben ik weer weg.’
We bestellen een borrelplank. Hij vertelt over zijn scheiding - drie jaar geleden feitelijk, vorig jaar op papier. Over hoe dat eerst als vrijheid voelde maar later als leegte. Hij praat zoals ik denk. Ik merk dat hij dichter naar me toe is geschoven. Onze knieën raken elkaar soms. ‘Meneer, ik ben door uw playlist heen. Heeft u nog verzoeknummers,’ zegt de barman. ‘Heb jij al die nummers aangevraagd?’ vraag ik verbaasd. ‘Ja, dat doe ik altijd als ik ergens ga eten?’ Even weet ik niets te zeggen. ‘Dat is best... assertief. Gelukkig heb je een goede muzieksmaak.’
‘Zullen we nog een afzakkertje doen op de kamer?’ Mijn lichaam reageert meteen. Ga ik dit echt doen? Ik ben getrouwd. Althans, technisch gezien. Maar misschien is dit precies wat ik nodig heb; iemand die hongerig naar me kijkt. Die me ziet als vrouw in plaats van als probleem dat opgelost moet worden.
Op de kamer blijft hij in de deuropening staan, alsof hij de ruimte opneemt. Dan loopt hij langzaam naar me toe. ‘Mooi,’ zegt hij. Ik lach. ‘Ja, dat dacht ik ook toen ik hem boekte.’ Hij schudt zijn hoofd ‘Nee Esther, jij bent mooi. Rob heeft je nooit echt gezien.’ Hij streelt met zijn hand langs mijn gezicht. Dan kust hij me. Even is er niets anders. Geen kamer, geen tijd, geen gedachten. Alleen zijn zachte mond. Ik voel hoe ik erin meega, hoe mijn lichaam het overneemt. En dan, heel even, ergens onder dat alles: Rob. Ik heb zijn naam niet genoemd.
De verzoeknummers, de dingen die hij zei. Zinnen die me... bekend voorkwamen. Dit is geen toeval, dit is gepland. Deze man is hier omdat ik hier ben. Mijn maag draait. Ik trek me een fractie van hem los. ‘Ik heb je niet verteld hoe mijn man heet.’ Mijn stem klinkt rustiger dan ik me voel. ‘Kennen wij elkaar?’ Zijn blik blijft op de mijne rusten. Hij lijkt niet geschrokken. ‘Ik vroeg me al af of je me zou herkennen.’
Vervolg
Proloog. Esther is met Rens op haar kamer als ze er achter komt dat hij haar al kent.
‘We hebben elkaar vorig jaar ontmoet,’ zegt hij, ‘op de barbecue van DeltaForge.’ In mijn hoofd springt een lade open die ik vergeten was. ‘Wacht even, jij bent een collega van Rob?’ Flarden van die avond komen terug. Niet helder genoeg om hem erin te plaatsen, maar wel genoeg om te weten dat hij het niet verzint. ‘Je zei iets over dieren,’ zegt hij. ‘Dat die weggaan als het niet meer klopt. Dat alleen mensen blijven zitten, uit beleefdheid of angst. En dat we dat dan liefde noemen. Die avond ben ik voor het eerst naar huis gegaan met het idee dat mijn huwelijk niet meer klopte. Twee maanden later was ik een gescheiden man.’
‘Oké,’ zeg ik. ‘Dat is nogal… een gevolg.’ Mijn stem klinkt scheller dan ik wil.
‘Ik voelde die avond een bijzondere chemie tussen ons,’ vervolgt hij, ‘dus ik ben je stukken gaan lezen. Alles wat ik kon vinden: columns, interviews. Zelfs de reacties eronder.’ Hij zegt het alsof het een compliment is. ‘En daarna ben ik je gaan volgen.’ Mijn keel wordt droog.
‘Volgen?’
‘Je posts, je stories. Toen ik hoorde over jullie ruzies en ik zag je Instagrambericht over dit hotel, heb ik een kamer geboekt.’ Ik zeg niets. Ik merk dat ik een halve stap achteruit heb gezet, mijn schouderbladen bijna tegen de muur. ;
‘Misschien ben ik een hopeloze romanticus, maar ik voel dat er iets is tussen ons,’ zegt hij bijna verlegen. Ik staar hem aan. ‘Je hebt weleens geschreven dat mannen hun best niet meer doen. Ik dacht: Ik ga haar laten zien hoe het ook kan.’
Hij lijkt trots. Dat is het vreemdste van alles. Ik zou nu weg kunnen lopen. Dat is wat een verstandig mens zou doen. Maar dit is beter dan verstandig: dit wil ik begrijpen, doorgronden tot op het bot. Dit is een verhaal.
‘En werkt het?’ Hij kijkt me aan. ‘Wat?’ ‘Je plan,’ zeg ik. ‘Heeft het gewerkt?’ Hij kijkt me uitdagend aan. ‘Je staat hier toch.’ Even heb ik de neiging om te lachen. ‘Lijk ik op wat je van me had gemaakt?’ Hij zwijgt, terwijl hij met zijn ogen langs mijn gezicht gaat. ‘Ik vind alles aan jou fantastisch, Esther.’ Ik zou bang moeten zijn, en dat ben ik ook, een beetje. Dat koude knuistje in mijn borst is niet weg. Maar mijn vingers jeuken al. Dit is het beste verhaal dat me ooit is overkomen. Ik denk aan mijn laptop op het nachtkastje. Aan de eerste zinnen die ik ga schrijven.
Ik trek hem naar me toe en zoen hem opnieuw. Ergens op de achtergrond hoor ik mezelf denken: dit is niet wat je wilt. Maar daaronder: dit is interessant. Ik voel hoe hij ontspant, hoe hij denkt dat hij alles onder controle heeft. Maar ik kijk al anders naar hem. Niet meer als man, maar als materiaal.
Later ligt hij naast me. Zijn ademhaling diep en zwaar. Ik schuif voorzichtig onder hem vandaan, pak mijn laptop en ga op de rand van het bed zitten. Dan begin ik te typen. ‘Sommige mannen worden verliefd op een idee. Maar wat hij voelt is geen liefde. Het is controle verpakt als toewijding.’